Idealen vertalen
in opvang, onderwijs en jeugdzorg.

Dertig jaar geleden werkte ik als afdelingshoofd in de geestelijke gezondheidszorg. De directeur van de RIAGG waar ik werkte schreef een beleidsnotitie. Ik weet niet meer precies waar die over ging. Wat ik nog wel weet is dat de nota dik was, meer dan 100 pagina’s. Er zat een mooi kaftje om en er volgde een bespreking in het Management Team. De koers voor de komende jaren was duidelijk. (?!)

Hoe word ik geïnspireerd?

Ik stond aan het begin van mijn loopbaan. Ik was net klaar met mijn studie andragogiek. Wist ik veel…Wat ik toen wel wist: Zo wil ik het niet, zo werkt het niet, lijkt me. Al die woorden, ze leven niet en verdwijnen in een la. Ik wil het anders. Makkelijk gezegd. Hoe wil ik het anders?
Ik wilde werken aan wat echt belangrijk is binnen de GGZ. Ik wilde meedenken over hoe we ons GGZ-aanbod beter kunnen maken. Ik wilde van patiëntengroepen horen hoe wij het beter kunnen doen. Ik wilde samen werken met de mensen waar ik leiding aan gaf, met andere leidinggevenden, met de patiënten.

Mijn weg

Deze ervaring heeft mij geraakt en getekend. Er volgen meer vergelijkbare ervaringen. Ik wil het anders doen, op mijn manier.
Ik ging in de jeugdzorg, later in de kinderopvang en het onderwijs werken. Werken voor en met kinderen is het moeilijkste en dankbaarste werk dat ik mij kan voorstellen. Kinderen hebben recht op begeleiding van medewerkers die met lol en passie hun werk doen. Daarvoor zijn er afspraken en intenties nodig die bijdragen aan een plezierige en positieve ontwikkeling van iedereen. Zodat medewerkers kinderen helpen zichzelf te zijn en zich verder te ontwikkelen. Samen met de ouders.
Ik ging aan de slag, viel en krabbelde op. Ik werd hoofd van een afdeling, manager van een kinderhuis, directeur bestuurder, adviseur. Ik heb getwijfeld en fouten gemaakt. Ik herken het belang van goede systemen, rapportages en kengetallen. Je kunt er behoorlijk druk mee zijn. Het geld kan maar één keer uitgegeven worden. Dat is een gegeven. Maar er is meer. Ook in crisistijden zijn de kinderen onze toekomst.

Ik heb ook veel mooie dingen meegemaakt. Ik heb gemerkt dat het verschil maken echt kan. Stapje voor stapje, met vallen en opstaan ben ik steeds dichter bij mijn eigen eigen(aardig)heid gekomen. Bij wat ik belangrijk vind en waar ik voor wil gaan in het werken in organisaties. Dat wat ik wil, doet ertoe!
Een goede, open sfeer vind ik erg belangrijk. Kinderen, ouders en medewerkers hebben contact en plezier met elkaar. Ik wil dat kinderen gezien worden in wie ze echt zijn, door medewerkers die werken vanuit hun passie. ‘Samen geven we vorm aan de allermooiste opvang’. Dat levert blije gezichten op. Dat maakt werken tot een leuke en zinvolle bezigheid.

Parallelle processen

Wil je werken aan de eigenheid, het zelfvertrouwen en de sociale kwaliteiten van kinderen dan lukt dat alleen samen met de kinderen, de medewerkers en de ouders. Op een school, een kindcentrum of een andere opvanglocatie ontmoeten kinderen, medewerkers en ouders elkaar. Zo zijn deze partijen nauw met elkaar verbonden.

Het begrip ‘parallelle processen’ speelt een belangrijke rol bij het zorgen voor een optimaal klimaat voor de ontwikkeling van kinderen. Een medewerker van een kindcentrum kan kinderen alleen echt ruimte geven als zij zelf de ruimte ervaart om te doen wat zij wezenlijk vindt. Een kind wordt pas echt gezien als we ook zijn ouders zien.

Nu: in beweging!

De wereld heeft talentvolle en zelfstandige mensen met zelfvertrouwen nodig die goed kunnen samenwerken. Mensen die op hun eigen wijze vorm geven aan alle belangrijke onderdelen van onze samenleving. Dit varieert van de voedselverstrekking, de bankenwereld, de productiebedrijven, de grondstoffen tot de dienstensector, de zorg, de opvang en het onderwijs.
Hoe gaan we dat voor elkaar krijgen?
Dertig jaar geleden fuseerden veel organisaties. Ze werden steeds groter, hiërarchischer en onpersoonlijker. Het leek zo te moeten gaan. Bureaucratie en daarmee samenhangende frustratie namen toe, de lol in het werk en de passie verdween bij velen.
Kenners zeggen dat we in een overgangsfase zitten. We veranderen van een samenleving waar de top van grote organisaties het voor het zeggen hebben, naar een samenleving waarin de mensen en kinderen waar het om gaat echt voorop staan.
Er zijn gelukkig steeds meer mensen die vertellen wat er mis is. En ook hoe het anders zou kunnen. Er zijn steeds meer mensen in de praktijk, die met prachtige, vaak kleinschalige projecten in de weer zijn. Er is een beweging gaande!

Steeds weer benoemen

Het is belangrijk steeds te zeggen wat nodig is voor de toekomst van onze kinderen. Alle kinderen hebben recht op onze aandacht. Kinderen kunnen beperkt voor zichzelf opkomen, helaas. Ik ga in een aantal blogs woorden geven aan hoe het vergroten van de eigenheid, het zelfvertrouwen en de sociale kwaliteiten van kinderen in de opvang, het onderwijs en de zorg er uit kan zien. Ik ga de komende periode antwoord geven op onderstaande vragen, met voorbeelden en aan de hand van verschillende onderwerpen. Bij elke blog laat ik een ‘inspirator’ aan het woord. Een inspirator is iemand die mij helpt verder te denken en te werken aan het vertalen van mijn idealen.

Mijn vragen zijn:

Waarom maak ik me druk over de ontwikkeling van alle kinderen? Wat vind ik belangrijk? Wat hebben kinderen en medewerkers die met kinderen werken nodig in onze snel veranderende samenleving? Wat vinden zij belangrijk? Wat vinden ouders belangrijk? Wat doe je daar vervolgens mee? Hoe zorg je ervoor dat de belangrijke onderwerpen overeind blijven en overgaan van idee naar vorm? Hoe kun je het bovenstaande in een ‘vorm gieten’ die hier recht aan doet? Hoe kun je zorgen voor een kanteling in denken en doen? Hoe kun je concreet werken aan eigenheid, zelfvertrouwen en sociaal gedrag van kinderen?

Doe je mee?

Inspirator
Joris Luyendijk beschrijft van binnenuit hoe de bankenwereld in elkaar zit. In zijn laatste boek, ‘Kunnen we praten’, heeft hij het over de parallellen tussen de bankenwereld en het onderwijs, de zorg en de kinderopvang. Ook in de opvang, het onderwijs en de zorg zijn bureaucratieën ontstaan waar het gaat om regels, en het ‘in control’ zijn. Men gelooft in de heilzame werking van concurrentie, van een visie is geen sprake. Marktwerking en schaalvergroting zijn heilige huisjes, die ook de zorg, het onderwijs en de kinderopvang zijn binnengerold. Wie doet het het beste? Zijn de targets gehaald? Er moeten steeds meer en steeds ingewikkeldere formulieren worden ingevuld. Effectief en efficiënt lijken bijna magische woorden. Binnen een grote organisatie kun je minder zaken informeel regelen en moeten meer regels opgesteld worden. Er ontstaan systemen om te toetsen of er wel efficiënt en effectief gewerkt wordt. En die moeten ook weer getoetst worden. Mensen worden afgerekend op of ze de targets halen. Komt dat ten goede aan de kwaliteit van wat je aanbiedt? Oftewel: worden de kinderen, de patiënten, de geldleners, de consumenten hier beter van? Ik denk het niet. Het moet anders, het kan anders!

2 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *