De mens wordt geboren, groeit, ontwikkelt zich en sterft. De mens is onderdeel van de natuur. Onderdeel van onze aardbol, onderdeel van het heelal en onderdeel van alles wat daar nog meer omheen bestaat. De mens ontwikkelt zich autonoom en heeft anderen nodig. Om even op te kunnen leunen, of om samen op te kunnen trekken; om te leven.

De mens heeft een ziel; de bron van het bestaan. De mens heeft een karakter, gevormd via de genen van de familie, via de patronen in het gezins-systeem die weer onderdeel zijn van de cultuur van het werelddeel, het land, de regio, het dorp of stadsdeel waar het kind opgroeit.

De mens maakt als kind angst, pijn en verdriet mee. En schept daarmee zijn eigen patronen als een soort zelfbehoud. Afhankelijk van de paden die het kind bewandelt, wat en wie het kind tegenkomt leert het omgaan met de hobbels en bobbels in zijn leven. Het zoekt telkens weer een evenwicht. Het leert leven.

Pijn hoort bij het leven, lijden is soms het gevolg ervan.

Op sommige momenten kan het teveel worden. Dan werken de vanzelfsprekendheden niet, dan vind je het evenwicht niet. Je sluit je ogen voor wat je te doen hebt. Je valt figuurlijk in slaap. Dan kan het helpen iemand te vragen om een stukje ‘mee te lopen’. Dat kan helpen om niet in slaap te vallen, wakker te zijn en te blijven, te doorleven, te leren en je te ontwikkelen, verder te leven.

Jij hebt een vraag en jij zorgt ervoor dat je een antwoord krijgt dat bij jou past, waar jij mee verder kunt.